Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2025

Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:135.

Bij het bepalen van wat die aanvullende werking in een concreet geval inhoudt, zal moeten worden verdisconteerd wat de betrokkenen bij het regelen van hun rechtsverhoudingen voor ogen heeft gestaan. Hun belangen moeten in aanmerking worden genomen en zo nodig tegen elkaar worden afgewogen. Art. 3:12 BWC geeft de rechter daarbij enige denkrichting, en zo enig houvast. Als algemene lijn geldt, zo wordt wel aangenomen, dat de redelijkheid en billijkheid ertoe noopt dat men handelend vanuit de eigen belangensfeer, bij het behartigen van een bepaald belang, rekening houdt met de gerechtvaardigde, kenbare belangen van de andere betrokkenen en deze na afweging ontziet indien men deze, kort gezegd, onnodig of onevenredig zou schaden. Kortom, de redelijkheid en billijkheid noopt degenen die vallen onder het bereik van art. 2:7 lid 1 BWC tot een wederzijds welwillende houding.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0a08e255693ff77c5d12c6f94cdd1a48a351f0c45317efe2fdbf67a0c425ef20. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0a08e255693ff77c5d12c6f94cdd1a48a351f0c45317efe2fdbf67a0c425ef20, en de alinea staat in dat document op bytes 33360 tot 34443.