Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025

Onder 3.66 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:426.

Denkbaar is dat deze uitzonderingen a contrario worden uitgelegd, in die zin dat als een regeling niet deze uitzondering vermeldt, zoals het geval is met betrekking tot de andere regelingen die in deze zaak aan de orde zijn, disculpatie niet mogelijk wordt geacht. Dat lijkt me echter niet juist. De wet laat de Ontvanger in al deze gevallen uitdrukkelijk de ruimte om de bestuurder al dan niet aan te spreken. Zoals hiervoor in 3.12, 3.18, 3.21, 3.27 en 3.28 al aan de orde was, heeft het bestaan van hoofdelijke aansprakelijkheid van schuldenaren tot gevolg dat de schuldeiser de bevoegdheid heeft om de schuldenaren naar keuze al dan niet tot betaling aan te spreken; de schuldeiser is niet verplicht om van die aansprakelijkheid gebruik te maken. Dit valt ook aan te nemen voor de Ontvanger en de hoofdelijke aansprakelijkheid die is neergelegd in de bepalingen waar het in deze zaak om gaat, gelet op de toelichting die is gegeven op die bepalingen (zie daarvoor opnieuw hiervoor in 3.12, 3.18, 3.21 en 3.27). De Ontvanger staat op zichzelf als schuldeiser zonder meer in zijn recht als hij een beroep doet op de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder, nu de wet hem die bevoegdheid geeft. Dat beroep kan echter, zoals iedere in beginsel vrij uit te oefenen privaatrechtelijke bevoegdheid, onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Ook kan dat beroep, nu de Ontvanger overheidsorgaan is, in strijd komen met het evenredigheidsbeginsel, dat in deze context, zo niet direct, in elk geval op grond van art. 3:14 BWC (dat hetzelfde luidt als art. 3:14 BWNL) van toepassing is. Bij gevallen waarin daarvan sprake is, valt met name te denken aan geval dat de bestuurder kan aantonen dat de niet-betaling van de schulden door de vennootschap op geen enkele wijze aan hem te wijten is geweest. Niet blijkt immers dat de wetgever óók voor dat geval – waarin als gezegd de ratio van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder zich niet voordoet – verhaal op de bestuurder op zijn plaats heeft geacht. Integendeel, de regelingen van Landsverordening omzetbelasting 1999 en de Landsverordening op de winstbelasting 1940 wijzen juist zeer sterk erop dat dit niet het geval is. Er valt geen behoorlijke rechtvaardiging aan te wijzen waarom voor de regelingen van de andere aan de orde zijnde landsverordeningen, iets anders geldt. De toelichtingen op die regelingen bevatten die rechtvaardiging niet. Daarbij verdient opmerking dat bovendien niet blijkt dat de wetgever voorbij zou hebben willen gaan aan het identiteitsverschil tussen de rechtspersoon en de bestuurder, door de bestuurder steeds zonder meer aansprakelijk te doen zijn voor de schulden van de vennootschap, ongeacht of hem enig verwijt kan worden gemaakt van de niet-betaling door de vennootschap. Dat identiteitsverschil is met de regeling van het rechtspersonenrecht juist uitdrukkelijk door hem in het leven geroepen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1a23796d430eccc231343fc20ac19a77470ae8243273bc61b724d9dd95b852ca. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1a23796d430eccc231343fc20ac19a77470ae8243273bc61b724d9dd95b852ca, en de alinea staat in dat document op bytes 108572 tot 111598.