Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025
Onder 7.22 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:435.
Naar mijn mening staat aan een soepele invulling van de verwijtsbaarheidstoets van art. 36(4)(2e volzin) IW 1990 niet in de weg dat het HvJ EU in zijn in deze zaak gewezen prejudiciële arrest kennelijk ervan is uitgegaan dat het tegenbewijs pas geleverd is als de bestuurder aannemelijk maakt dat hem niets te verwijten valt. Het HvJ EU gaat niet over de uitleg van nationaal recht en uit het arrest of enige andere bron blijkt niet dat het Unierecht eist dat het tegenbewijs alleen geleverd is als de bestuurder niets te verwijten valt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3c924feebae36cc7136a5e66d44f6fef886ce74b2bb1de1b9160e70d1f07c211. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3c924feebae36cc7136a5e66d44f6fef886ce74b2bb1de1b9160e70d1f07c211, en de alinea staat in dat document op bytes 104325 tot 104975.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3c924feebae36cc7136a5e66d44f6fef886ce74b2bb1de1b9160e70d1f07c211 | shasum -a 256