Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025

Onder 3.23 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:436.

“(…) de vraag is of een dergelijke beslissing in de eerste fase überhaupt gezag van gewijsde kan hebben. (…) Een belangrijke uitzondering [op het bereik van art. 236 Rv, A-G] betreft beslissingen in vonnissen die naar hun aard slechts voorlopig zijn. Omdat dergelijke beslissingen niet tussen partijen vaststellen welke rechten of verplichtingen tussen hen als recht gelden, bestaat geen aanspraak op finaliteit. Aan een kortgedingvonnis komt om die reden geen gezag van gewijsde toe (HR 16 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583, NJ 1995/213, r.o. 3.3 (…)). (…) De parallel tussen de ordemaatregel in kort geding en de onmiddellijke voorziening dringt zich op. Het oordeel “twijfel aan een juist beleid” dat noodzakelijk is voordat een onmiddellijke voorziening getroffen kan worden, loopt naar zijn aard vooruit op een onderzoek dat nog moet plaatsvinden en een eventuele beslissing in de tweede fase. Ik ben het eens met Faber (A.C. Faber, Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (…) 2020/paragraaf 169), die deze en andere gezichtspunten behandelt en concludeert: “Dit alles tezamen vormt mijns inziens een te wankele basis om toepasselijkheid van het gezag van gewijsde op beslissingen over onmiddellijke voorzieningen aan te nemen” .”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcd80b0962ab8d9f8ebe70cbea83e644d604e5850f1389639e59d47d3ef5748f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcd80b0962ab8d9f8ebe70cbea83e644d604e5850f1389639e59d47d3ef5748f, en de alinea staat in dat document op bytes 56789 tot 58179.