Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025

Onder 3.53 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:436.

Alinea 3 begint ermee dat, anders dan het hof heeft geoordeeld in rov. 4.3, het enkele feit dat de OK beslist in een verzoekschriftprocedure als bedoeld in art. 2:345 BW niet impliceert dat de “beslissingen in een dergelijke procedure (…) naar haar aard geen gezag van gewijsde” hebben. Zoals ook in art. 2:349a lid 2 BW besloten ligt, heeft niet elke beschikking van de OK in het kader van de enquêteprocedure steeds (geheel) het karakter van een onmiddellijke (dan wel voorlopige) voorziening. Door het verweer van [verweerder] en zijn daarop voortbouwende tegenverzoek om vast te stellen dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd, heeft [verweerder] de OK genoodzaakt te beoordelen of hij dwangsommen heeft verbeurd. Het voorbehoudloze, gemotiveerd bevestigende antwoord van de OK ten aanzien van acht dwangsommen is niet bij wijze of in het kader van een onmiddellijke voorziening gegeven; in het dictum van de beschikking wordt die kwalificatie alleen verbonden aan de aanvulling op de bevelen in de beschikking van 18 maart 2020, aldus nog steeds alinea 3.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcd80b0962ab8d9f8ebe70cbea83e644d604e5850f1389639e59d47d3ef5748f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcd80b0962ab8d9f8ebe70cbea83e644d604e5850f1389639e59d47d3ef5748f, en de alinea staat in dat document op bytes 97686 tot 98811.