Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025

Onder 3.55 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:436.

Alinea 4 gaat voort op het spoor van de onder 3.26 sub b hiervoor bedoelde toelichting, door op te merken dat de “vergelijking door het hof (t.a.p.)” met het kort geding mank gaat. Beslissingen van de kortgedingrechter hebben per definitie een voorlopig karakter; art. 257 Rv onthoudt aan die beslissingen het gezag van gewijsde vanwege de verhouding van het kort geding tot de bodemprocedure. Dit gaat niet op voor de enquêteprocedure. Zij heeft geen relatie met een “bodemprocedure”, en de eindbeslissingen in de beschikking zijn in een volwaardige verzoekschriftprocedure op tegenspraak tot stand gekomen. De OK heeft in de beschikking niet “voorshands”, “vooralsnog” of “voorlopig” geoordeeld dat [verweerder] acht dwangsommen heeft verbeurd, en het is evenmin zo dat aan de oordelen van de OK zonder méér een voorlopig karakter moet worden toegekend vanwege de omstandigheid dat ze in het kader van een enquêteprocedure heeft geoordeeld, aldus nog steeds alinea 4.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcd80b0962ab8d9f8ebe70cbea83e644d604e5850f1389639e59d47d3ef5748f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcd80b0962ab8d9f8ebe70cbea83e644d604e5850f1389639e59d47d3ef5748f, en de alinea staat in dat document op bytes 102868 tot 104117.