Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2025

Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:647.

De eerste regel waaraan in het kader van het burgerlijke procesrecht valt te denken in dit verband, is die van het in art. 236 Rv geregelde gezag van gewijsde. Zoals volgt uit art. 236 leden 1 en 2 Rv, geldt dat gezag echter slechts tussen partijen en hun rechtsopvolgers. Hetzelfde geldt voor de werking van veroordelingen in rechterlijke uitspraken en van daarin vervatte verklaringen voor recht (de dicta dus van rechterlijke uitspraken). Ook die gelden alléén tussen partijen en hun rechtsopvolgers. Aangezien de Ontvanger geen partij is geweest in de procedure tussen [eiser] en de curator, en evenmin rechtsopvolger is van de curator, kan hij geen beroep doen op de uitspraak in de procedure tussen die twee partijen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/56e6992553b731ef46f2682dedf14e03aef21b0e99b6a1d5cf8ebe2c69267076. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 56e6992553b731ef46f2682dedf14e03aef21b0e99b6a1d5cf8ebe2c69267076, en de alinea staat in dat document op bytes 49875 tot 50614.