Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2025

Onder 3.16 Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:647.

Hiernaast valt erop te wijzen dat in het burgerlijke procesrecht, buiten de gelding van het gezag van gewijsde, geen verbod bestaat op het instellen van dezelfde vordering (en dus evenmin op het anderszins twee of meer keren voorleggen van hetzelfde standpunt). Dat geldt jegens dezelfde wederpartij en derhalve eens te meer jegens een derde. Onder omstandigheden kan een herhaling tegen dezelfde wederpartij wel vastlopen op een gebrek aan belang (er is al een beslissing) of misbruik van bevoegdheid opleveren. Dat geldt bijvoorbeeld voor een herhaalde vordering in kort geding. Het enkele feit dat sprake is van een herhaling, is daarvoor echter onvoldoende. In een nieuw kort geding kunnen bijvoorbeeld nieuwe stellingen worden aangevoerd. Een dergelijke herhaling (dus met nieuwe stellingen) levert volgens de rechtspraak in beginsel geen misbruik van procesrecht op. Het behoeft geen toelichting dat [eiser] in dit geding tegen de Ontvanger belang heeft bij een beoordeling van de verschuldigdheid van de aanslagen. Dat in dit geval sprake zou zijn van misbruik van procesrecht door [eiser] , valt niet in te zien. Als deze procedure al wordt gezien als een doublure van de procedure tegen de curator – zoals de Ontvanger wil –, dan geldt dat [eiser] wat betreft het arrest van het hof Amsterdam van 17 mei 2016 – waarbij zijn standpunt over de belastingaanslagen inhoudelijk is beoordeeld – kan wijzen op het feit dat hij pas na dat arrest de beschikking heeft gekregen over de administratie van de vennootschappen waaruit volgens hem duidelijk blijkt dat de belastingaanslagen niet juist zijn. Dat is de grond waarop hij de herroepingsprocedure is begonnen. Zijn standpunt over de belastingaanslagen is uiteindelijk niet beoordeeld in de herroepingsprocedure doordat het hof heeft geweigerd dat te doen. In dit cassatieberoep moet formeel uitgangspunt zijn dat de herroepingsprocedure na terugwijzing nog loopt (kort gezegd is dat de door het hof in zijn arrest vastgestelde stand van zaken) en dat deze beoordeling nog moet plaatsvinden. Uit de cassatiestukken blijkt echter, zoals hiervoor in 1 en 2.1 onder (v) al weergegeven, dat de herroepingsprocedure inmiddels in een schikking is geëindigd, zodat vaststaat dat die beoordeling ook niet meer in die procedure zal plaatsvinden. Van het onnodig nogmaals vragen van een beslissing kan dus niet worden gesproken. Overigens is het standpunt van de Ontvanger ook niet op een van deze specifieke grondslagen gebaseerd, maar uitsluitend op de algemene stelling dat [eiser] de verschuldigdheid van de aanslagen niet nog eens in een civiele procedure aan de orde moet kunnen stellen (‘litis finiri oportet’, zegt hij).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/56e6992553b731ef46f2682dedf14e03aef21b0e99b6a1d5cf8ebe2c69267076. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 56e6992553b731ef46f2682dedf14e03aef21b0e99b6a1d5cf8ebe2c69267076, en de alinea staat in dat document op bytes 51811 tot 54673.