Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2025

Onder 6.14 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:652.

Ik belicht nog wel een uitspraak van 7 november 2024 omdat daarin aan de orde is dat (rov. 5.3) in beroep een machtiging is overgelegd die dateert (12 maart 2020) van ruim vóórdat de bestreden WOZ-beschikking voor 2021 is genomen (30 april 2021) én die bovendien ook reeds is overgelegd in een procedure tegen de WOZ-beschikking voor een jaar eerder. Het is niet verrassend dat het gerechtshof oordeelt dat (rov. 5.4) de rechtbank in redelijkheid aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde mocht twijfelen en het haar vrij stond aan het uitblijven van het overleggen van een recente machtiging de gevolgtrekking te verbinden dat het beroep niet-ontvankelijk is. Ik wil op deze plaats vooral belichten dat de gemachtigde de schriftelijke machtiging nogal ruim opvat. Zelfs in hoger beroep – zie rov. 5.2 – betoogt de gemachtigde namelijk nog dat sprake is van een doorlopende machtiging (in mijn terminologie: een algemeen doorlopende machtiging), terwijl de tekst toch ook zo zou kunnen worden opgevat dat de machtiging is verleend voor een specifieke aanslag/WOZ-beschikking. De tekst luidt namelijk (voor zover hier relevant) als volgt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c80fdea244667e7a82ff4def4c880312ba74a99e1414daedf51672e03b22cb5d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c80fdea244667e7a82ff4def4c880312ba74a99e1414daedf51672e03b22cb5d, en de alinea staat in dat document op bytes 123973 tot 125210.