Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2025

Onder 8.16 Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:652.

3) Zo uit HR BNB 2013/244 zou kunnen worden afgeleid dat in het geval een machtiging is overgelegd waaruit de vereiste vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt, er slechts grond is voor de rechter om een nieuwe machtiging te verlangen, indien er aanwijzingen zijn dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van het beroep een omstandigheid als bedoeld in art. 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde zou zijn geëindigd (vgl. 5.14), meen ik dat die regel hoe dan ook bijstelling behoeft. Nog ervan afgezien dat volmacht ook kan zijn geëindigd op grond van een andere omstandigheid dan die zijn genoemd in art. 3:72 BW (zie 3.17), meen ik dat de drempel voor een feitenrechter om een nieuwe machtiging te mogen verlangen, te hoog wordt gelegd. Een feitenrechter moet naar mijn stellige overtuiging – mede gelet op het in 8.5-8.9 uiteengezette maatschappelijke belang – de ruimte hebben om in voorkomende gevallen, ook zonder dat er (concrete) aanwijzingen zijn dát zich een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor de volmacht is geëindigd, te verifiëren óf de volmacht nog niet is geëindigd. Dit laatste hangt mede samen met het volgende.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c80fdea244667e7a82ff4def4c880312ba74a99e1414daedf51672e03b22cb5d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c80fdea244667e7a82ff4def4c880312ba74a99e1414daedf51672e03b22cb5d, en de alinea staat in dat document op bytes 212534 tot 213760.