Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2025

Onder 8.12 Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:752.

Overigens is het niet zo dat de wettelijke verhoging maar steeds zou blijven doorlopen. Zodra het UWV een voorschot op de loonvervangende uitkering heeft betaald aan de werknemer (als gezegd is dat doorgaans na een maand het geval, zie onder 6.22 en 6.23), is over de daarmee overeenkomende loonvordering geen wettelijke verhoging meer verschuldigd. De wettelijke verhoging geldt dan dus slechts tot dát moment van betaling en zou in voorkomende gevallen nog kunnen doorlopen over het deel van het loon dat niet gedekt is door de loonvervangende uitkering van het UWV. De reden hiervoor is dat de werknemer geen loonvordering meer heeft voor zover het UWV die aan de werknemer heeft betaald (als gevolg van subrogatie krachtens art. 66 lid 1 Werkloosheidswet). Na de betaling van een loonvervangende uitkering door het UWV is daarom in zoverre aan de loonvordering geen recht op wettelijke verhoging meer verbonden, niet voor de werknemer en ook niet voor het UWV (wat het UWV betreft omdat art. 7:625 BW geen nevenrecht is in de zin van art. 6:142 BW).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed83d8bbd6b55305c87bf6f4055fc5301a292ef36286a8f15970ea8f33e2be3e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed83d8bbd6b55305c87bf6f4055fc5301a292ef36286a8f15970ea8f33e2be3e, en de alinea staat in dat document op bytes 67099 tot 68294.