Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2025

Onder 9.12 Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:752.

Op te merken is nog dat zelfs als de curator zich wél zou kunnen beroepen op art. 6:37 BW (en er dus geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ), daarmee niet is gezegd dat er geen aanspraak bestaat op de wettelijke rente over het achterstallige loon. Uit de parlementaire geschiedenis bij art 6:37 BW kan worden afgeleid dat ook bij een terecht beroep op art. 6:37 BW uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een verplichting kan voortvloeien om een geldbedrag ter hoogte van de wettelijke rente te vergoeden. M.i. kan ook langs deze weg worden verdedigd dat wettelijke rente over het achterstallige loon is verschuldigd. In het kader van de eisen van redelijkheid en billijkheid is dan onder meer van belang dat de onzekerheid over de betaling niet te wijten is aan handelen of nalaten van de werknemers. Integendeel, deze hangt samen met omstandigheden die duidelijk in de risicosfeer van de boedel liggen, namelijk het faillissement van de werkgever. Verder kan ook in dit kader verwezen worden naar de ratio van de loongarantieregeling, bescherming van de belangen van de werknemers.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ed83d8bbd6b55305c87bf6f4055fc5301a292ef36286a8f15970ea8f33e2be3e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ed83d8bbd6b55305c87bf6f4055fc5301a292ef36286a8f15970ea8f33e2be3e, en de alinea staat in dat document op bytes 78284 tot 79581.