Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025

Onder 3.44.3 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:96.

De ratio van de (hiervoor in 3.44.1) genoemde regel dat de rechter ambtshalve een kostenveroordeling uitspreekt, is niet helemaal duidelijk. In HR 26 januari 1933 verwees de Hoge Raad naar de tekst van art. 56 (oud) Rv, waarin werd bepaald dat wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, in de kosten ‘zal’ worden verwezen. In HR 28 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9604, overwoog de Hoge Raad dat een andere opvatting van deze bepaling denkbaar ware geweest, maar dat hij onvoldoende grond ziet om af te wijken van de in het arrest van 1933 gekozen uitleg. Blijkens het debat in de (oudere) literatuur wijzen tekst en wetsgeschiedenis van art. 56 (oud) Rv niet in een bepaalde richting. Het debat in de literatuur ging destijds met name om de vraag of er bij de proceskostenveroordeling reden is af te wijken van het uitgangspunt dat de rechter slechts beslist over hetgeen is gevorderd of verzocht. Haardt heeft in zijn NJ-noot onder het arrest uit 1986 nog betoogd dat met het ambtshalve uitspreken van een proceskostenveroordeling wordt voorkomen dat een winnende partij die op toevoeging procedeert en, al dan niet bij vergissing, geen kostenveroordeling vordert, niet alleen zichzelf en haar raadsman dupeert, maar ook de Staat. Dat de rechter op grond van art. 237 Rv ambtshalve dient te oordelen over de kosten van het geding wordt in meer recente rechtspraak van de Hoge Raad bevestigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54076caa7f858f2d8f27b57fad6baca95e32510267d2a22831745bca4bf6ed02. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54076caa7f858f2d8f27b57fad6baca95e32510267d2a22831745bca4bf6ed02, en de alinea staat in dat document op bytes 77549 tot 79233.