Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025

Onder 2.4.2 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:96.

12. Het komt de kantonrechter voor dat met de onder 10. genoemde uitspraken en het standpunt van verhuurder miskend wordt dat het beding moet worden beoordeeld naar het moment van totstandkoming van de huurovereenkomst. Zoals onder 9. al overwogen laat het beding de mogelijkheid open dat de verhuurder op enig moment vóórdat de rechter uitspraak doet aanspraak maakt op volledige proceskosten. Van matiging van die kosten door de rechter kan dan dus geen sprake zijn. Dit is ook een reëel risico, omdat veel huurders ter voorkoming van voortzetting van een gerechtelijke procedure alsnog tot betaling van de (gestelde) vorderingen zullen overgaan, zonder te beseffen dat een deel van de vorderingen is gebaseerd op een oneerlijk beding. Maar ook als de rechter de proceskosten in een uitspraak heeft gematigd kan verhuurder onder verwijzing naar artikel 11.1 aanspraak maken op volledige proceskosten. Ook dan bestaat een reëel risico dat de huurder betaalt, om van de zaak af te zijn. Bovendien kan de verhuurder een betaling die de huurder doet in mindering laten strekken op de volgens haar verschuldigde (volledige) proceskosten, waarna de uitspraak voor de resterende vordering een titel geeft. Daarmee leidt het beding in artikel 11.1 er wel degelijk toe dat het contractuele evenwicht is verstoord. (...)”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54076caa7f858f2d8f27b57fad6baca95e32510267d2a22831745bca4bf6ed02. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54076caa7f858f2d8f27b57fad6baca95e32510267d2a22831745bca4bf6ed02, en de alinea staat in dat document op bytes 12520 tot 13852.