Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025

Onder 3.1 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:96.

Ik stel voorop dat het proceskostenbeding valt onder het bereik van de Richtlijn oneerlijke bedingen. In de overwegingen van de verwijzende rechter in het tussenvonnis van 23 april 2024 ligt besloten dat de verhuurder handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit als bedoeld in art. 2 onder c Richtlijn, zodat deze is aan te merken als een ‘verkoper’ in de zin van de Richtlijn. De verwijzende rechter gebruikt daarvoor de term ‘handelaar’. Voorts ligt in deze overwegingen besloten dat partijen niet hebben onderhandeld over het proceskostenbeding (art. 3 lid 1 Richtlijn) en/of dat sprake is van een beding dat is opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen (art. 6:231 onder a BW). Het proceskostenbeding is dus aan te merken als een algemene voorwaarde. Daaraan doet niet af dat het in de huurovereenkomst zelf is opgenomen. Tenslotte ligt in de overwegingen van het tussenvonnis van 23 april 2024 besloten dat het proceskostenbeding geen kernbeding als bedoeld in art. 4 lid 2 Richtlijn dan wel art. 6:231 onder a BW is. In de schriftelijke opmerkingen van Lieven de Key en IVBN is een en ander, begrijpelijkerwijs, ook niet geproblematiseerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54076caa7f858f2d8f27b57fad6baca95e32510267d2a22831745bca4bf6ed02. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54076caa7f858f2d8f27b57fad6baca95e32510267d2a22831745bca4bf6ed02, en de alinea staat in dat document op bytes 17747 tot 19157.