Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025

Onder 3.21.2 Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:96.

Ten eerste omdat, volgens vaste rechtspraak, de rechter niet de bevoegdheid heeft om de inhoud van een oneerlijk beding te herzien. Dit zou anders ertoe kunnen bijdragen dat de afschrikkende werking van de Richtlijn oneerlijke bedingen teniet wordt gedaan, die voor gebruikers van de bedingen daarin besloten ligt dat dergelijke oneerlijke bedingen zonder meer buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument. Dit betekent bijvoorbeeld dat een nationale rechter die heeft vastgesteld dat een boetebeding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk is, er niet mee mag volstaan, zoals dit op grond van het nationale recht is toegestaan, de hoogte van de ingevolge dat beding aan die consument in rekening gebrachte boete te matigen, maar zonder meer verplicht is dat beding voor de consument buiten toepassing te laten. De bevoegdheid van de rechter om een bedongen boete te matigen is van dwingend recht (art. 6:94 lid 1 BW), maar kan dus geen rol spelen bij de beoordeling of een boetebeding oneerlijk is. Voor de dwingendrechtelijke bevoegdheid van de rechter om op de voet van art. 242 Rv bedongen proceskosten te matigen, geldt naar mijn mening hetzelfde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/54076caa7f858f2d8f27b57fad6baca95e32510267d2a22831745bca4bf6ed02. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 54076caa7f858f2d8f27b57fad6baca95e32510267d2a22831745bca4bf6ed02, en de alinea staat in dat document op bytes 52597 tot 53948.