Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Onder 3.51 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:107.

De klacht faalt. Volgens mij heeft het hof met de verwijzing naar de mogelijk voor toepassing in aanmerking komende rechtsstelsels in rov. 4.10 slechts willen aangeven dat die rechtsstelsels (in hoofdzaak) hetzelfde rechtskader bevatten voor de beoordeling van de vorderingen A(3) en D, althans ertoe strekken (in hoofdzaak) dezelfde rechtsgevolgen te bewerkstelligen. Dat het hof met zijn bevoegdheidsoordeel niet heeft willen vooruitlopen op de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen volgens het daarop toepasselijke recht, blijkt genoegzaam uit rov. 4.10 (‘(…) dat, gezien hetgeen over en weer aangevoerd is, voorshands, gezien de uit te voeren toets in het kader van beoordeling van de rechtsmacht, voldoende aannemelijk is geworden dat (…)’). Hiermee heeft het hof duidelijk gemaakt dat het de vraag naar (de gevolgen van) het toepasselijke recht op de vorderingen uitsluitend heeft betrokken in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5, en de alinea staat in dat document op bytes 95010 tot 96037.