Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Onder 4.23 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:107.

Voor het overige lijkt het subonderdeel de klachten van het vorige subonderdeel te herhalen of daarop voort te bouwen. Hoe dan ook is het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat, indien en voor zover de vorderingen A, B en D worden toegewezen, de individuele belanghebbenden zich op de verklaringen voor recht kunnen beroepen in het kader van individuele vervolgprocedures jegens Rabobank c.s. of het treffen van een minnelijke regeling met Rabobank c.s., en dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie in zoverre voordeel biedt boven individuele geschilbeslechting, juist en niet onbegrijpelijk. Hoewel met de toewijzing van (een of meer van) de vorderingen A, B en D nog niet vaststaat of, en zo ja, in hoeverre de belanghebbenden recht hebben op schadevergoeding, zal een toewijzing van (een of meer van) deze vorderingen wel kunnen bijdragen aan het oplossen van het geschil tussen de individuele belanghebbenden en Rabobank c.s. Daarmee heeft deze collectieve actie voldoende toegevoegde waarde en draagt zij in zoverre bij aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5, en de alinea staat in dat document op bytes 135123 tot 136241.