Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Onder 4.44 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:107.

Voor het vaststellen van de schade, waar het hof in rov. 4.17 aan memoreert, geldt in wezen hetzelfde. Het hof heeft in rov. 4.17 overwogen dat de vraag of de gedragingen die Rabobank c.s. worden verweten tot schade kunnen hebben geleid bij (een deel van de) belanghebbenden, kan worden beantwoord zonder daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden te betrekken. Deze overweging zou kunnen slaan op (uitsluitend) vordering B, die is gestoeld op groepsaansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat, indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. De vraag naar de kans op het toebrengen van schade, in de hiervoor bedoelde – algemene – zin, kan daarmee relevant zijn voor de beoordeling van vordering B. Bij deze lezing van rov. 4.17 heeft het hof de met vordering B gemoeide belangen van de belanghebbenden terecht gelijksoortig geacht, omdat voor de beoordeling van vordering B de individuele schade niet vastgesteld behoeft te worden. Dat geldt echter ook wanneer rov. 4.17 zo zou moeten worden gelezen, dat het hof heeft gedoeld op de schade die de belanghebbenden stellen te hebben geleden op grond van de vorderingen A en D. Ook bij die lezing schort er niets aan het oordeel van het hof over de bundelbaarheid van de belangen. Immers, de vorderingen van de Stichting vragen niet om een oordeel dat tegenover elk van de belanghebbenden onrechtmatig is gehandeld met schade tot gevolg, maar slechts om een algemeen oordeel dat Rabobank c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, bedoeld als opmaat voor het vorderen van schadevergoeding. De schadevaststelling van de individuele belanghebbenden valt derhalve buiten het bestek van deze collectieve actie. Dat het hof hiervoor oog heeft gehad, blijkt uit rov. 4.19, laatste volzin (‘als opmaat voor het vorderen van schadevergoeding’), rov. 4.20, derde volzin (‘Het ligt in de rede dat de schadebegroting per Belanghebbende een nadere feitenvaststelling zal vergen …’), en rov. 4.26, laatste volzin (‘maar niet in geschil is, [dat] de (individuele) schadevaststelling een zeer complexe aangelegenheid zal zijn en voorts dat mogelijk zal blijken dat wel kan worden vastgesteld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat het zeer moeilijk is om de (individuele) schade van de Belanghebbenden te begroten’).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5, en de alinea staat in dat document op bytes 162309 tot 164933.