Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Onder 4.53 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:107.

Onder (ii) betoogt het middel als volgt. Onjuist althans onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 4.19, derde volzin, dat de vorderingen zich lenen voor bundeling, ook al zal het recht dat van toepassing is op de gestelde onrechtmatige daad mogelijk tot (verdere) beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van Rabobank c.s. naar verschillende rechtsstelsels leiden. Het recht dat van toepassing is op de vorderingen van de Stichting moet per belanghebbende, per vordering en per aangesproken partij worden vastgesteld. Dit kan leiden tot toepassing van een veelheid van rechtsstelsels, waaronder mogelijk het recht van een derde staat (waar het VWEU toepassing mist). Het hof heeft miskend dat ook dit aan de bundelbaarheid in de weg staat. Dit is in feitelijke instanties aangevoerd en het hof heeft hier ten onrechte niet op gerespondeerd. Deze stellingname is essentieel omdat de vraag naar het toepasselijk recht van belang is bij de beoordeling of onrechtmatig jegens een belanghebbende is gehandeld en daarmee ook bij de beoordeling of sprake is van bundelbare/gelijksoortige belangen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5, en de alinea staat in dat document op bytes 175803 tot 176920.