Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026
Onder 3.15 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:107.
De klacht berust op de onjuiste veronderstelling dat voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis als zelfstandige voorwaarde geldt dat het voor de medegedaagden (Lloyds c.s.) voorzienbaar moet zijn geweest dat zij konden worden gedagvaard in de lidstaat waar de ankergedaagde (Rabobank) woonplaats heeft. Deze voorwaarde wordt niet gesteld in art. 8 sub 1 Brussel I-bis en volgt evenmin uit de rechtspraak van het HvJ EU. Aan de Verordening Brussel I-bis ligt het algemene beginsel ten grondslag dat de bevoegdheidsregeling in hoge mate voorspelbaar moet zijn, zodat het voor de verweerder redelijkerwijs voorzienbaar is voor welke gerechten, anders dan die van zijn woonplaats, hij gedagvaard zou kunnen worden. In de rechtspraak bedient het HvJ EU zich van dit algemene beginsel bij de uitleg van bevoegdheidsbepalingen die afwijken van de hoofdregel van rechtsmacht (art. 4 Brussel I-bis), in die zin dat rekening ermee wordt gehouden dat de uitkomst van de uitleg die het HvJ EU aan een bevoegdheidsbepaling geeft verenigbaar is met dit algemene beginsel. Dit geldt ook voor art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De uitleg die het HvJ EU aan deze bepaling heeft gegeven is erop gericht te waarborgen dat het voor de medegedaagden, gelet op de nauwe band tussen de tegen hen ingestelde vorderingen en de vordering tegen de ankergedaagde, redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in een lidstaat buiten hun woonplaats gedagvaard zouden kunnen worden voor het gerecht in de lidstaat waar de ankergedaagde zijn woonplaats heeft. Anders gezegd, de voorzienbaarheid van de rechtsmacht voor de medegedaagden wordt geacht te zijn verdisconteerd in de uitleg die het HvJ EU heeft gegeven aan art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De voorzienbaarheid van de rechtsmacht is geen zelfstandig criterium dat los van de andere voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereiste criteria moet worden onderzocht. Nog anders gezegd, wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, in het bijzonder het vereiste van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden, komt het resultaat van deze toepassing (het forum van de ankergedaagde is ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen de medegedaagden uit andere lidstaten) niet in strijd met het beginsel van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht. Indien met het middel wel een afzonderlijke voorzienbaarheidseis zou worden gesteld voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, dan zou daarmee een open norm worden geïntroduceerd in het kader van de prima facie beoordeling van de internationale bevoegdheid die tot de nodige rechtsonzekerheid zal kunnen leiden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5, en de alinea staat in dat document op bytes 49383 tot 52489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5 | shasum -a 256