Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026
Onder 3.25 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:107.
Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis alleen is gerechtvaardigd als tussen de vordering tegen de ankergedaagde (Rabobank) en de vorderingen tegen elk van de medegedaagden (Lloyds c.s.) een nauwe band bestaat in de zin van deze bepaling. Het volstaat niet dat een nauwe band bestaat tussen de vorderingen tegen de medegedaagden onderling, zonder dat (ieder van) deze vorderingen ook nauw (is/) zijn verbonden met de ankervordering. Naar mijn mening heeft het hof dit niet miskend. Hiervoor is het volgende van belang. De vorderingen A(3) en D zijn gebaseerd op een vermeende schending van art. 101 VWEU door Rabobank c.s. Aan deze schending heeft de Stichting ten grondslag gelegd dat Rabobank en Lloyds c.s. ieder voor zich (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij hebben meegedaan c.q. bijgedragen aan (pogingen tot) de ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR, hetgeen zou kwalificeren als een overeenkomst althans onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van art. 101 VWEU. De Stichting heeft de vorderingen A(3) en D gebaseerd op de SOF’s en andere bevindingen met betrekking tot de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s., waaruit zou blijken van directe en/of indirecte contacten tussen (medewerkers van) Rabobank en (medewerkers van) Lloyds c.s. (ieder voor zich) om submissions onderling af te stemmen met de bedoeling om de JPY LIBOR ongeoorloofd te beïnvloeden (rov. 4.10). Het hof is van oordeel dat, in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht, niet nu reeds duidelijk is dat deze (SOF’s en andere) bevindingen geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten (rov. 4.11). Nu de stellingen van de Stichting inhouden dat Rabobank en Lloyds c.s. (ieder voor zich) hebben samengespannen met hetzelfde doel om de JPY LIBOR ongeoorloofd te beïnvloeden en de Stichting deze samenspanning heeft gebaseerd op hetzelfde feitencomplex (de SOF’s en andere bevindingen waaruit de betrokkenheid van Rabobank en Lloyds c.s. (ieder voor zich) bij de ongeoorloofde beïnvloeding zou blijken), heeft het hof in rov. 4.10 kunnen oordelen dat de vorderingen A(3) en D zien op dezelfde feitelijke situatie in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5, en de alinea staat in dat document op bytes 64207 tot 66666.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5 | shasum -a 256