Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Onder 3.28 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:107.

Volgens de Stichting heeft de samenwerking tussen Rabobank c.s. in het kader van de vermeende inbreuk op het Unierechtelijke kartelverbod plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2001 t/m 30 juni 2011 (de relevante periode). In rov. 4.10, eerste volzin, heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de voor vordering A(3) relevante periode geheel of grotendeels samenvalt met de periodes genoemd in vordering D. Het door het middel geduide verschil in de temporele reikwijdte van de vorderingen A(3) en D tegen de verschillende gedaagden kan, zo meen ik, niet afdoen aan het oordeel van het hof dat deze vorderingen dezelfde situatie feitelijk betreffen. Ik betwijfel of met het oog op het vereiste van eenzelfde feitelijke situatie in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis het noodzakelijk is dat de gedragingen die de ankergedaagde en de medegedaagden worden verweten (exact) in dezelfde periode hebben plaatsgevonden. Zolang de feitelijke grondslag van de vorderingen voor het overige dezelfde is en de gedaagden op grond daarvan dezelfde verwijten worden gemaakt, lijkt mij voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis niet relevant, althans van onvoldoende gewicht, dat die vorderingen een verschillende temporele reikwijdte hebben. In deze zaak zijn de vorderingen A(3) en D afgebakend tot een bepaalde periode, 1 januari 2001 t/m 30 juni 2011 (de relevante periode). Met de vorderingen A(3) en D maakt de Stichting de ankergedaagde en de medegedaagden dezelfde verwijten, namelijk samenspanning in de vorm van een op grond van art. 101 VWEU verboden kartel waarin (pogingen tot) de ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR onderling werd(en) afgestemd. De vorderingen A(3) en D zijn beide gebaseerd op de SOF’s en andere bevindingen met betrekking tot de vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. Dit volstaat om eenzelfde situatie feitelijk in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis te kunnen aannemen, ook als de verweten gedragingen op verschillende tijdstippen (binnen de relevante periode) hebben plaatsgevonden. Het verschil in de temporele reikwijdte is dan ook geen relevant onderscheid bij de beoordeling of de vorderingen A(3) en D eenzelfde situatie feitelijk betreffen. Tegen deze achtergrond volstaat het voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis dat de vorderingen tegen de verschillende gedaagden zijn gebaseerd op de door de Stichting gestelde deelname aan een (in onderlinge samenwerking gepleegde) inbreuk op het Unierechtelijke kartelverbod in de relevante periode tussen 1 januari 2001 t/m 30 juni 2011.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9804ee911d2e6d3ffcc833ad8c2e6d01c060292a6edd3188997268e8877d31e5, en de alinea staat in dat document op bytes 70192 tot 72977.