Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2026

Onder 4.15 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU kan art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis echter niet zodanig worden uitgelegd dat een eiser een vordering tegen meerdere gedaagden kan instellen met het enkele doel om één van hen te onttrekken aan de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis te omzeilen door de voorwaarden voor de toepassing ervan op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven. De kans dat een eiser een vordering tegen meerdere gedaagden heeft ingesteld met een dergelijk doel, is volgens het hof echter uitgesloten wanneer de nauwe band bestaat tussen de tegen elk van de gedaagden ingestelde vorderingen zoals deze in art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis wordt geëist voor het bestaan van rechtsmacht op grond van subjectieve cumulatie. Het aangezochte gerecht kan genoemde omzeiling slechts vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de eiser de voorwaarden voor toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5cf2b6571790fb1b12febdadc10641f95e19b88670b4c713696952e4e2ec8d63. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5cf2b6571790fb1b12febdadc10641f95e19b88670b4c713696952e4e2ec8d63, en de alinea staat in dat document op bytes 101203 tot 102409.