Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2026

Onder 8.7 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224.

Dit verschil in aard komt onder meer tot uitdrukking in het gegeven dat het internationale bevoegdheidsrecht van openbare orde is en dus ambtshalve moet worden toegepast. Aan de relatieve bevoegdheid wordt pas toegekomen nadat vaststaat dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Alleen in het geval van een daartoe strekkend verweer dient de rechter in eerste aanleg zijn relatieve bevoegdheid te beoordelen. Zoals hiervoor besproken, staat van de beslissing daarover geen rechtsmiddel open, gelet op het geringe belang daarvan. Het samenhangvereiste van art. 107 Rv is in de rechtspraak van de Hoge Raad mede tot ontwikkeling gekomen in het kader van de vraag naar de toelaatbaarheid van subjectieve cumulatie aan de zijde van gedaagden. Hoewel de wetgever ten tijde van de herziening van het civiele procesrecht de vereisten van samenhang bij beide soorten van bevoegdheid uitdrukkelijk met elkaar in verbinding heeft gebracht, bestaat er wat betreft inhoud en ratio dus een heel duidelijk en wezenlijk verschil tussen beide vereisten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5cf2b6571790fb1b12febdadc10641f95e19b88670b4c713696952e4e2ec8d63. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5cf2b6571790fb1b12febdadc10641f95e19b88670b4c713696952e4e2ec8d63, en de alinea staat in dat document op bytes 351462 tot 352642.