Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2026

Onder 3.17 Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 juli 2026, ECLI:NL:PHR:2026:721.

Ik ben het met de klacht eens dat het erom gaat of er een rechtsverhouding tussen de man en zijn moeder bestond, inhoudende verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen van de man jegens zijn moeder ten aanzien van de aandelen (en dat dus niet bepalend is of voldaan is aan enige definitie van ‘economische eigendom’, zie hiervoor onder ‎3.7). Ook ben ik het ermee eens dat op basis van de door het hof gegeven motivering niet de conclusie kan worden getrokken dat de man jegens de moeder verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen had met betrekking tot de aandelen in de B.V. die een belang van de man bij die aandelen vertegenwoordigden. Dat de man zich als rechthebbende gedroeg, en dat iedereen ook ervan uitging dat de man de rechthebbende was, betekent immers niet automatisch dat door die ‘onjuiste voorstelling van zaken’ vaststaat dat de waarde van de aandelen aan de man toekwam of dat er vermogensrechten ten aanzien van die aandelen ontstonden. Ik meen dan ook dat het oordeel van het hof niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, en dat de klacht slaagt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8ed49974697c4185af5907bcaf604b5e98d984687dee9ad8786fd6b31538ced. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8ed49974697c4185af5907bcaf604b5e98d984687dee9ad8786fd6b31538ced, en de alinea staat in dat document op bytes 36062 tot 37328.