Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 september 2026

Onder 6.7 Parket bij de Hoge Raad 15 september 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 september 2026, ECLI:NL:PHR:2026:814.

Uit meerdere arresten van de Hoge Raad blijkt evenwel dat dit verzuim niet tot cassatie hoeft te leiden, indien de rechter het verweer slechts had kunnen verwerpen omdat het niet tot nietigheid van de dagvaarding kan leiden. Naar mijn oordeel doet zich hier zo’n geval voor. De rechtbank heeft immers in eerste aanleg overwogen dat en waarom het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest tegen welk verwijt hij zich diende te verdedigen en dus waarom het door de verdediging gevoerde verweer over de nietigheid van de dagvaarding moet worden verworpen. Die overweging van de rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en komt mij ook niet onbegrijpelijk voor. Nu in hoger beroep woordelijk exact hetzelfde verweer is gevoerd en door de verdediging in hoger beroep verder niets is aangevoerd over de (in mijn ogen dus onjuiste noch onbegrijpelijke) overweging van de rechtbank, meen ik dat het hof het in hoger beroep gevoerde verweer slechts kon verwerpen, omdat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest tegen welk verwijt hij zich diende te verdedigen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbb2f0ed9402bda24fa0e72a8b9f8c9a81b1f37da8e2f50a5d1ee751b479e6be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbb2f0ed9402bda24fa0e72a8b9f8c9a81b1f37da8e2f50a5d1ee751b479e6be, en de alinea staat in dat document op bytes 93200 tot 94426.