Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 september 2026

Onder 4.13 Parket bij de Hoge Raad 4 september 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 september 2026, ECLI:NL:PHR:2026:839.

Ik merk het volgende op. In de stellingen van [eisers] in de procedure vóór verwijzing heeft het hof klaarblijkelijk geen grief gelezen dat de omschrijving van de vermogensbestanddelen niet voldoende nauwkeurig was in de zin van art. 2:234f lid 2 BW. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Weliswaar hoefde [eisers] niet het betreffende wetsartikel te noemen, maar een (feitelijk) betoog dat de afsplitsing niet voldoende nauwkeurig was, valt inderdaad ook niet in de stellingen te lezen. In de stellingen die het subonderdeel aanhaalt en samengevat weergeeft onder a t/m f lees ik dat in ieder geval niet. Het gaat om algemene stellingen dat Stack niet het vorderingsrecht heeft verkregen, althans dat dit niet voor [eisers] valt na te gaan. De enige passage waarin het gaat over ‘splitsing’ is het onder ‘e’ aangehaalde schriftelijk pleidooi, nr. 21. Daar wordt echter niets gezegd over de (nauwkeurigheid van de) omschrijving, maar wordt gesteld dat de splitsing niet is vastgelegd in een akte en er alleen een voornemen is tot splitsing. Zoals het hof in rov. 5.19 echter heeft overwogen betreft de nieuwe grief echter niet de betwisting van de geldigheid van de afsplitsing (in zijn algemeenheid), maar de betwisting om de genoemde reden , dat wil zeggen: vanwege de onvoldoende nauwkeurigheid van de beschrijving. Die reden wordt zoals gezegd nergens door [eisers] genoemd, behalve pas in de memorie na verwijzing (de stellingen in het subonderdeel onder g). In het kader van de vraag of het gaat om uitwerking van eerder ingenomen stellingen, zijn de stellingen onder g verder niet relevant, omdat die pas zijn ingenomen in de memorie na verwijzing, waarvan het hof nu juist heeft geoordeeld dat dit te laat was. Die stellingen kunnen met andere woorden wel een uitwerking/precisering zijn, maar dan moet er eerder al een stelling zijn ingenomen waarvan dat een uitwerking is. Slechts de stellingen vóór verwijzing zijn in dat kader relevant, omdat dat de stellingen zijn die later in de procedure mogen worden uitgewerkt zonder in strijd te komen met de tweeconclusieregel. Daarvan is volgens het hof hier dus geen sprake en dat oordeel is zoals gezegd niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db40ca430b19808b234ff716b8276d5f1af9c537de36563eb9224d94bddcffda. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db40ca430b19808b234ff716b8276d5f1af9c537de36563eb9224d94bddcffda, en de alinea staat in dat document op bytes 42997 tot 45398.