Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 september 2026

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 4 september 2026

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 september 2026, ECLI:NL:PHR:2026:843.

7. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor nadere bewijslevering. Volgens het middel onder 2 heeft het hof miskend dat op [verweerders] de stelplicht en bewijslast rusten van de door hun gestelde feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat na het opmaken van de uiterste wil de feitelijke verhoudingen niet langer aansloten bij wat de erflater kennelijk in zijn testament wenste te regelen. Voor zover het hof zich zou hebben gebaseerd op het oordeel dat de bedoelde feiten en omstandigheden voorshands vaststaan, zou het hof volgens het middel onder 3 hebben miskend dat [eiser] tegenbewijs heeft aangeboden. [eiser] had zijn stelling volgens het middel onder 4 dat de erflater de intentie had om hem ( [eiser] ) te belonen voor het opbouwen van de onderneming, voldoende onderbouwd en het niet toelaten door het hof tot bewijs daarvan komt neer op een verboden prognose over het resultaat van bewijslevering, dan wel is onbegrijpelijk gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2e98dbe54fdc906b35a89f449a357bb7c583c289a70ff0b3581a147f9243e2c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2e98dbe54fdc906b35a89f449a357bb7c583c289a70ff0b3581a147f9243e2c, en de alinea staat in dat document op bytes 8131 tot 9312.