Citaat | Rechtbank Alkmaar 11 februari 2004

Alinea 91 Rechtbank Alkmaar 11 februari 2004

Een alinea uit Rechtbank Alkmaar 11 februari 2004, ECLI:NL:RBALK:2004:AO3453.

5.14 De rechtbank komt met [eiseres] tot de slotsom dat uit dit samenstel van feiten moet worden afgeleid dat het implantaat eind mei 2000 niet in haar lichaam aanwezig was. Dit wettigt vervolgens het vermoeden dat het implantaat op 10 april 2000 door [huisarts] niet is ingebracht in de arm van [eiseres], behoudens door [huisarts] te stellen en aannemelijk te maken feiten waaruit het tegendeel zou blijken. In dit verband is door [huisarts] gesteld dat er een - zij het onwaarschijnlijke - mogelijkheid bestaat van (onbemerkt gebleven) expulsie van het implantaat nadat dit was ingebracht. [Huisarts] heeft die stelling ontleend aan de gebruiksaanwijzing. Daarin wordt die mogelijkheid weliswaar genoemd doch uitsluitend in relatie tot een onjuiste insertie. In geval van een onjuiste insertie zou aan de zijde van [huisarts] echter reeds uit dien hoofde van een tekortkoming sprake zijn. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat het implantaat ofwel niet is ingebracht ofwel op onjuiste wijze en dat daardoor het implantaat vervolgens door het lichaam is uitgestoten. In beide gevallen is sprake van een tekortkoming door [huisarts].

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/de16c8448d357f876006eafa7a4169db9e232dcd1d7ad780cb249d4214046c70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt de16c8448d357f876006eafa7a4169db9e232dcd1d7ad780cb249d4214046c70, en de alinea staat in dat document op bytes 24529 tot 25681.