Citaat | Rechtbank Almelo 2 april 2002

Alinea 151 Rechtbank Almelo 2 april 2002

Een alinea uit Rechtbank Almelo 2 april 2002, ECLI:NL:RBALM:2002:AE0934.

In haar beslissing van 30 juni 2000, gegeven op het op 26 juni 2000 door de raadsman ingediende verzoekschrift ex artikel 512 Wetboek van Strafvordering, waarin door laatstgenoemde onder meer aan de orde was gesteld dat de verdediging bij de voorgeleiding onvoldoende tijd kreeg om het voorgeleidingsproces-verbaal te bestuderen, heeft de raadkamer overwogen dat een ervaren raadsman als mr. Meijers in staat moet worden geacht om in een relatief beperkte tijd de essentialia van het proces-verbaal van de voorgeleiding in zich op te nemen. De rechtbank deelt dat standpunt van de raadkamer en zij is van oordeel, dat van schending van het bepaalde in artikel 5, lid 4, juncto artikel 6, lid 3 EVRM, geen sprake is geweest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c6f594a925c99942c3bb275d9f265827d1254e54fdb040140b8bbe30cd408c3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c6f594a925c99942c3bb275d9f265827d1254e54fdb040140b8bbe30cd408c3, en de alinea staat in dat document op bytes 38165 tot 38901.