Citaat | Rechtbank Almelo 2 april 2002

Alinea 152 Rechtbank Almelo 2 april 2002

Een alinea uit Rechtbank Almelo 2 april 2002, ECLI:NL:RBALM:2002:AE0934.

In de derde plaats is door de raadsman van verdachte ter terechtzitting aangevoerd -zoals de verdediging dat ook reeds ter terechtzitting van 6 december 2001 heeft gedaan- dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn recht tot strafvervolging van verdachte, omdat door de intensiteit van dwangmiddelen waaraan verdachte onderworpen is geweest, met name het langdurig afluisteren in de woning van verdachte, een ernstige, niet te rechtvaardigen inbreuk is gemaakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 EVRM, alsmede op diens persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c6f594a925c99942c3bb275d9f265827d1254e54fdb040140b8bbe30cd408c3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c6f594a925c99942c3bb275d9f265827d1254e54fdb040140b8bbe30cd408c3, en de alinea staat in dat document op bytes 38921 tot 39585.