Citaat | Rechtbank Almelo 19 november 2008

Onder 3.1.2 Rechtbank Almelo 19 november 2008

Een alinea uit Rechtbank Almelo 19 november 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:24.

Primaire grondslag: ad 1. [gedaagde] betwist dat hij zijn taken als bestuurder van CFT kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Hij betwist dat CFT is opgericht met het doel om de bij VS verworven kennis commercieel te exploiteren, waarbij hij stelt dat het feit dat dit in het vonnis van 9 januari 2002 in de verhouding tussen VS en [gedaagde] is bepaald, niet betekent dat dit in de verhouding tussen [gedaagde] en CFT als vaststaand moet worden aangenomen. Uit de in voornoemde procedure afgelegde getuigenverklaringen blijkt niet dat de receptures die door [gedaagde] zijn gebruikt specifieke kennis vereisen en dat deze kennis door [gedaagde] bij VS is verworven en [gedaagde] bestrijdt dat dit het geval is. Bovendien is het besluit om kennis te gaan exploiteren in een op te richten vennootschap een besluit dat zich afspeelt voor de oprichting, hetgeen niets van doen heeft met het functioneren van [gedaagde] als bestuurder van die vennootschap. [gedaagde] heeft zijn bestuurstaken ten behoeve van CFT altijd nauwgezet en naar behoren vervuld. Bovendien had [gedaagde] niet kunnen voorzien dat de rechtbank CFT aansprakelijk zou achten en schadevergoeding aan VS zou toekennen. ad 2. Voorts is het gestelde onbehoorlijk bestuur niet de oorzaak van het faillissement geweest. CFT had namelijk, als gevolg van diefstal door ex-medewerker [W] en daardoor teruglopende omzetten en als gevolg van wanbetalers, al langer financiële problemen. Uit de winst- en verliesrekeningen van CFT blijkt dat vanaf 1996 sprake is van een dalende lijn, waarbij de verliezen steeds groter werden. Ook zonder de procedure tegen VS zou CFT derhalve waarschijnlijk failliet zijn gegaan. Genoemde procedure tegen VS en de uitkomst daarvan is niet van wezenlijke invloed geweest. ad 3. De taakvervulling die door de curator onbehoorlijk wordt gevonden, zou hebben plaatsgevonden tussen 1989 en 1991. Nu het faillissement eerst is ingetreden in augustus 2002 kan aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW nooit worden gehonoreerd, in verband met het bepaalde in lid 6 van dat artikel. Tenslotte stelt [gedaagde] met betrekking tot de primaire grondslag dat deze de curator uitsluitend een vordering geeft voor zover er een boedeltekort zou zijn. Voor veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat zal de curator eerst aannemelijk moeten maken dat er schade is. De door de curator genoemde crediteurenstand van € 400.000,-- komt [gedaagde] als onwaarschijnlijk hoog voor. Bovendien moeten bij de berekening van een eventueel boedeltekort ook bezittingen worden meegenomen. CFT had nog een aanzienlijke post openstaande debiteuren. Zo blijkt uit een debiteurenlijst van februari 2002 dat de stand op dat moment ruim € 662.000,-- bedroeg. De curator dient helderheid te verschaffen op dit punt. [gedaagde] heeft de curator vonnissen ter hand gesteld, waarbij de heer [W] is veroordeeld tot betaling aan CFT van een totaalbedrag van ruim € 366.000,-- en waarbij de firma [S] is veroordeeld tot betaling aan CFT van een totaal bedrag van ruim DM 410.000,--. De stelling dat sprake is van een tekort in de boedel, terwijl de crediteuren gezamenlijk een bedrag van € 400.000,-- te vorderen zouden hebben, leidt tot de vraag waarom deze crediteuren niet via uitwinning van voornoemde vonnissen en de overige debiteuren zijn voldaan. Op de curator rust bewijslast van zijn stelling dat sprake is van een boedeltekort.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebeec893fb51dbee299ba988693268b976e5ce6a81fb682256b7579991bf3014. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebeec893fb51dbee299ba988693268b976e5ce6a81fb682256b7579991bf3014, en de alinea staat in dat document op bytes 22085 tot 25567.