Citaat | Rechtbank Almelo 19 november 2008

Onder 4.4.1 Rechtbank Almelo 19 november 2008

Een alinea uit Rechtbank Almelo 19 november 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:24.

In geval van faillissement van een vennootschap is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 1 BW). Van ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’ kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder -onder dezelfde omstandigheden- aldus gehandeld zou hebben (aldus HR 8 juni 2001, NJ 2001,454). Dit betekent onder meer dat in situaties waarin de vennootschap in moeilijk vaarwater is gekomen, het bestuur voldoende marge behoort te hebben om orde op zaken te stellen. Ten minste is vereist dat ten tijde van het nemen (of achterwege laten) van bepaalde beslissingen het bestuur de mogelijkheid van een nadelig effect had behoren te voorzien. Dat is echter nog niet voldoende om van onbehoorlijk bestuur, laat staan van kennelijk onbehoorlijk bestuur te spreken, omdat in de eerste plaats het ondernemerschap kan meebrengen dat een zeker risico bewust wordt genomen en in de tweede plaats één of meer incidentele fouten, zelfs met ernstige gevolgen, niet voldoende zijn om van kennelijk onbehoorlijk bestuur te spreken, indien er verder sprake is van een competent gevoerd beleid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebeec893fb51dbee299ba988693268b976e5ce6a81fb682256b7579991bf3014. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebeec893fb51dbee299ba988693268b976e5ce6a81fb682256b7579991bf3014, en de alinea staat in dat document op bytes 34585 tot 36004.