Citaat | Rechtbank Amsterdam 6 september 2000
Alinea 60 Rechtbank Amsterdam 6 september 2000
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 6 september 2000, ECLI:NL:RBAMS:2000:AA7003.
6. Met betrekking tot de vordering sub II geldt het volgende. Een belastingplichtige is op grond van artikel 58 Iw 1990 gehouden is desgevraagd aan de Ontvanger de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de invordering te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. [gedaagde] stelt dat hij de vragen in de brief van de Ontvanger van 14 april 2000 heeft beantwoord voorzover hij dat kon en dat hij ze alsnog zal beantwoorden zodra hij daartoe in staat is. Hij wijst daarbij op een brief van zijn raadsman van 27 april 2000 aan de Ontvanger. Volgens hem handelt de Ontvanger in strijd met het recht door van hem te verlangen dat hij over de brug komt met bezittingen waarvan niets bekend is en van hem te verlangen te bewijzen dat er niet meer is. [gedaagde] gaat er aldus kennelijk vanuit dat hij aan zijn uit artikel 58 Iw 1990 voortvloeiende informatieplicht heeft voldaan. Echter ten onrechte. De brief van 27 april 2000 behelst ten aanzien van een aantal door de Ontvanger genoemde bankrekeningen de mededeling dat inzage in het verloop (nog) niet kan of niet zal worden gegeven, en ten aanzien van andere bankrekeningen dat deze [gedaagde] "zo op het eerste gezicht niets" zeggen. Ook een aantal namen "zeggen hem zo niets", aldus eerdergenoemde brief, terwijl over [gedaagde]s relatie met de hem wel bekende natuurlijke en rechtspersonen slechts wordt opgemerkt dat die relaties niet of niet meer bestaan. Op vragen van de Ontvanger over een aantal met name genoemde vermogensbestanddelen wordt in de brief geantwoord dat [gedaagde] er niet of niet meer op gerechtigd is of dat er niets over bekend is. Bij de brief van 27 april 2000 noch later heeft [gedaagde] stukken overgelegd, waarnaar wel was gevraagd. Nu niet van enig ander antwoord is gebleken, is de beantwoording door [gedaagde] van de vragen in de brief van de Ontvanger van 14 april 2000 ontoereikend. Uit de houding van [gedaagde] blijkt op geen enkele manier dat hij inlichtingen en gegevens van enige betekenis wenst te verstrekken. De enkele brieven aan de (door de Ontvanger in zijn brief van 14 april 2000 genoemde) banken de Dresdner Bank in Spanje en de Canadian Imperial Bank op de Bahama's, waarop [gedaagde] zich beroept, zijn onvoldoende om het tegendeel aan te nemen. Dat [gedaagde] de gevraagde informatie niet kan verstrekken omdat de Ontvanger zijn medewerking weigert, kan niet worden aanvaard, nu het hier een verplichting van [gedaagde] betreft en niet valt in te zien dat de Ontvanger tot medewerking is gehouden. [gedaagde] moet in staat worden geacht, eventueel met behulp van de aan hem overhandigde uitdraai van zijn organizer, inlichtingen en gegevens als bedoeld in artikel 58 jo 60 Iw 1990 te verstrekken. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het strafproces tegen hem, met name de behandeling die hij in de TEBI heeft moeten ondergaan, zodanige psychische schade heeft veroorzaakt dat het voor hem tot op de dag van vandaag vrijwel onmogelijk is kennis te nemen van zijn fiscale problemen. Wat daar ook van zij, niet kan worden aangenomen dat het [gedaagde] onmogelijk is opening van zaken te (doen) geven over zijn vermogenspositie.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c487d87d6f6069d85cd435ffd9c8670350c35d31cbcaa88ab81bb917d0af045d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c487d87d6f6069d85cd435ffd9c8670350c35d31cbcaa88ab81bb917d0af045d, en de alinea staat in dat document op bytes 20224 tot 23373.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c487d87d6f6069d85cd435ffd9c8670350c35d31cbcaa88ab81bb917d0af045d | shasum -a 256