Citaat | Rechtbank Amsterdam 11 april 2001

Alinea 34 Rechtbank Amsterdam 11 april 2001

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 11 april 2001, ECLI:NL:RBAMS:2001:AB1000.

"De raadsman betoogt dat het onder 2 telastegelegde feit, oplichting gepleegd in de periode van januari 1991 tot februari 1992 ("de KIO-zaak"), is verjaard. Oplichting wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar, hetgeen op grond van artikel 70 sub 2 Sr tot gevolg heeft dat het recht tot strafvervolging na zes jaar is vervallen. De laatste als oplichting te kwalificeren handeling heeft uiterlijk op 31 januari 1992 plaatsgevonden, zodat de verjaring uiterlijk op 1 februari 1998 was voltooid. Vóór die datum hebben met betrekking tot de KIO-zaak geen vervolgingshandelingen plaatsgevonden, zodat de verjaring niet is gestuit. De vordering bewaring en het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek op 5 december 1997 kunnen niet als stuitingshandeling worden aangemerkt, nu de KIO-zaak van die vorderingen geen deel uitmaakt. De KIO-zaak is pas voor het eerst op de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek van 29 maart 1999 opgenomen, maar toen was het recht tot strafvervolging al vervallen, aldus de raadsman.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e2fd888ce30ca28940f0dd71d2af0654f0553284687ed3744844b108517e896a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e2fd888ce30ca28940f0dd71d2af0654f0553284687ed3744844b108517e896a, en de alinea staat in dat document op bytes 9703 tot 10755.