Citaat | Rechtbank Amsterdam 11 april 2001
Alinea 57 Rechtbank Amsterdam 11 april 2001
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 11 april 2001, ECLI:NL:RBAMS:2001:AB1000.
2.2.9.1 Bij preliminair verweer en bij pleidooi heeft de raadsman de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit, stellende dat bepaalde personen, onder wie zijn cliënt, wél worden vervolgd en anderen, onder wie de partijen bij de tripartiete overeenkomsten en hun aandeelhouders, ten onrechte niet. Daarmee zou het opportuniteitsbeginsel onjuist zijn toegepast en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. De raadsman heeft hierbij met name gewezen op bij het kantoor Sarphatistraat van de ABN/AMRO-bank bestaande coderekeningen en op de werkgeefster van verdachte, NIB Securities N.V. en op een andere contractspartij bij de tripartiete overeenkomsten, de Kas Associatie N.V. Uit diverse stukken zou zijn op te maken dat de officier van justitie beide laatstgenoemde rechtspersonen in eerste instantie wel mede als verdachte heeft aangemerkt, maar niet tot vervolging is overgegaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e2fd888ce30ca28940f0dd71d2af0654f0553284687ed3744844b108517e896a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e2fd888ce30ca28940f0dd71d2af0654f0553284687ed3744844b108517e896a, en de alinea staat in dat document op bytes 19840 tot 20754.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e2fd888ce30ca28940f0dd71d2af0654f0553284687ed3744844b108517e896a | shasum -a 256