Citaat | Rechtbank Amsterdam 22 juni 2001
Alinea 116 Rechtbank Amsterdam 22 juni 2001
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 22 juni 2001, ECLI:NL:RBAMS:2001:AB2241.
4.2 Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, meer in het bijzonder de omstandigheid dat geen advies is gevraagd aan een belastingadviseur op dit punt, vloeit voort dat verdachte en zijn mededaders als feitelijk leidinggevers willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de hier bedoelde aangiften onjuist en onvolledig zouden worden gedaan, dan wel de aangiften valselijk zouden worden opgemaakt. Daarmee is ook het opzet van de vennootschap in de vorm van voorwaardelijk opzet bewezen. Voorts acht de rechtbank ook bewezen dat verdachten daarbij het oogmerk hebben gehad de aangiften als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken, daar deze officiële aangiften ook daadwerkelijk bij de Belastingdienst zijn ingediend ten bewijze van de hoogte van de aan de vennootschap op te leggen en door deze af te dragen loonbelasting.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9ec9fe01d279aef484bf6eb099a0a3ea338acc7be6a11c44234d07968c8412da. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9ec9fe01d279aef484bf6eb099a0a3ea338acc7be6a11c44234d07968c8412da, en de alinea staat in dat document op bytes 44867 tot 45764.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9ec9fe01d279aef484bf6eb099a0a3ea338acc7be6a11c44234d07968c8412da | shasum -a 256