Citaat | Rechtbank Amsterdam 8 november 2001
Alinea 18 Rechtbank Amsterdam 8 november 2001
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 8 november 2001, ECLI:NL:RBAMS:2001:AD5311.
De raadsman heeft, op nader in deel III van zijn pleitnotities omschreven gronden, het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vervolging dient te worden verklaard nu - kort gezegd - door de officier van justitie met gebruikmaking van de bevoegdheid ex 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een politieambtenaar is ingezet in het Huis van Bewaring die in feite door de wijze waarop hij zijn taak heeft uitgevoerd als infiltrant als bedoeld in artikel 126h Sv is te beschouwen dan wel zijn bevoegdheden te buiten is gegaan. Daarmee is een vergaande inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en is gehandeld in strijd met het fair trial-beginsel. De inzet van de undercover agent dient als onrechtmatig te worden beschouwd. Bovendien is de voorlopige hechtenis van de verdachte onrechtmatig toegepast. Het voorgaande levert een schending op van respectievelijk de artikelen 8, 6 en 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede van artikel 29 Sv. Bovendien is artikel 152 Sv geschonden nu niet ten spoedigste door de betrokken opsporingsambtenaar proces-verbaal is opgemaakt van hetgeen door hem tot opsporing is verricht of bevonden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c2ac3cb2f7cca0e77322b40d0d3b4ab4c74ec5392b0664eb92c0bd4073d57e9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c2ac3cb2f7cca0e77322b40d0d3b4ab4c74ec5392b0664eb92c0bd4073d57e9f, en de alinea staat in dat document op bytes 6297 tot 7567.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c2ac3cb2f7cca0e77322b40d0d3b4ab4c74ec5392b0664eb92c0bd4073d57e9f | shasum -a 256