Citaat | Rechtbank Amsterdam 16 juli 2003

Alinea 64 Rechtbank Amsterdam 16 juli 2003

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 16 juli 2003, ECLI:NL:RBAMS:2003:AI0400.

7. Bij die afweging kent de rechtbank in het bijzonder belang toe aan het feit dat [eiser] met het interview in "Het Uur van de Wolf" zelf nog geen maand na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep opnieuw in de publiciteit is getreden over het om het leven brengen van [slachtoffer]. Anders dan [eiser] betoogt, is de rechtbank van oordeel dat hij deze gebeurtenis met zijn onder 1e. aangehaalde uitlatingen in het genoemde programma wel degelijk heeft gepresenteerd als een verzetsdaad. Verder valt in redelijkheid niet aan te nemen dat het in beeld brengen van het persbericht waarin sprake is van rehabilitatie zonder mede-weten en goedvinden van (de cineast) [eiser] heeft plaatsgevonden. Dit terwijl van een formele rehabilitatie -daarover bestaat in dit geding geen geschil- geen sprake is geweest. Het aldus zelf andermaal de publiciteit zoeken omtrent deze zaak brengt weliswaar niet mee dat [eiser] zijn recht op privacy zou hebben verspeeld, maar maakt het beroep daarop en op het recht om "alleen te worden gelaten" over de doodslag op [slachtoffer], waarvoor hij is veroordeeld, gestraft en deels gegratieerd, wel minder zwaarwegend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8919001449f0ab0e246a41b2f18d16d7943bfac41716027081ab81e472fdfa1d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8919001449f0ab0e246a41b2f18d16d7943bfac41716027081ab81e472fdfa1d, en de alinea staat in dat document op bytes 31339 tot 32503.