Citaat | Rechtbank Amsterdam 24 februari 2004

Alinea 78 Rechtbank Amsterdam 24 februari 2004

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 24 februari 2004, ECLI:NL:RBAMS:2004:AO4863.

De verdediging stelt voorts, naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte, met een beroep op artikel 6 lid 3 sub a EVRM dat de rechten van [verdachte] geschonden zouden zijn. Bij de eerste drie verhoren (in april 2000) was [verdachte] duidelijk dat er een verdenking bestond op grond van artikel 140 Sr. Nu de aard van die verdenking voldoende concreet was, kon [verdachte] zich daartegen verdedigen. Ook de inhoud van de processen-verbaal van genoemde verhoren geeft de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat [verdachte] in het ongewisse was over de aard van de verdenking.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bc7b3bb70c04ccfa3699debe81debc4e8678d2be009b62dba7987f46525e7a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bc7b3bb70c04ccfa3699debe81debc4e8678d2be009b62dba7987f46525e7a0, en de alinea staat in dat document op bytes 25063 tot 25665.