Citaat | Rechtbank Amsterdam 7 juli 2004

Alinea 249 Rechtbank Amsterdam 7 juli 2004

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 7 juli 2004, ECLI:NL:RBAMS:2004:AP8458.

7.1 Bij de beantwoording van de vraag of de advertentie bij publicatie misleidend was in de zin van artikel 6:194 BW moet, gelet op deze grondslag van de vordering en gezien de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 juli 1998, C-210/96 (NJ 2000, 374), niet worden uitgegaan van de individuele personen die in contractuele verhouding tot Dexia staan uit hoofde van effectenlease-overeenkomsten, maar moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument bij kennisneming van deze advertentie. Deze maatstaf heeft te gelden zonder differentiatie naar doelgroep, omdat Leaseverlies en de Consumentenbond zelf niet stellen dat zij de belangen van gespecificeerde doelgroepen behartigen, maar in het algemeen stellen op te treden namens personen die een relatie met Dexia hebben uit hoofde van een effectenlease-overeenkomst. Of Dexia zich met haar advertentie speciaal richtte op een publiek met geen of weinig eigen vermogen en geen of weinig kennis van beleggen, zoals Leaseverlies en de Consumentenbond stellen en Dexia betwist, kan dan ook in het midden blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39033405760f68bcd988816d8b163dcd87b1e464dd477483f19ce08ce4c3d84d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39033405760f68bcd988816d8b163dcd87b1e464dd477483f19ce08ce4c3d84d, en de alinea staat in dat document op bytes 70460 tot 71647.