Citaat | Rechtbank Amsterdam 25 april 2007
Alinea 68 Rechtbank Amsterdam 25 april 2007
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 25 april 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA3691.
5.7. [gedaagde] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat zijn uitlatingen met betrekking tot de betrokkenheid van [eiser 1] bij de moord op [slachtoffer] en van de betrokkenheid van [eiser 2] bij dit delict na de dood van [slachtoffer], op waarheid berusten, door het doen horen van [eiser 1] en [eiser 2] als getuigen. [gedaagde] heeft niet aangevoerd waarom hij verwacht dat [eiser 1] en [eiser 2] als getuigen -anders dan zij tot nu toe in de gedingstukken hebben gedaan- zullen erkennen dat de aantijgingen van [gedaagde] juist zijn. Dit had, gelet op het feit dat de standpunten van partijen in deze procedure lijnrecht tegenover elkaar staan, vanuit een goede procesorde bezien wel van hem mogen worden verwacht. Daarom wordt zijn bewijsaanbod als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d4f4086032878657b8b8a109b24bb4ce26b3433907d2a68717da329ebb88938. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d4f4086032878657b8b8a109b24bb4ce26b3433907d2a68717da329ebb88938, en de alinea staat in dat document op bytes 22997 tot 23804.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2d4f4086032878657b8b8a109b24bb4ce26b3433907d2a68717da329ebb88938 | shasum -a 256