Citaat | Rechtbank Amsterdam 10 oktober 2007
Alinea 60 Rechtbank Amsterdam 10 oktober 2007
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 10 oktober 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BC7188.
4.2. Bij beantwoording van deze vraag heeft in beginsel als uitgangspunt te gelden het vermoeden van artikel 3:109 BW, inhoudende dat degene die een goed houdt wordt vermoed dit voor zichzelf te houden. Het betreft hier echter slechts een vermoeden dat onder de gegeven omstandigheden moet wijken voor het uit de inschrijving in de openbare registers voortvloeiende bezitsvermoeden van de Gemeente (zie bijvoorbeeld artikel 6:174 BW). Voorts geldt dat op grond van artikel 3:108 BW naar verkeersopvatting en op grond van de uiterlijke feiten moet worden beoordeeld of [A] voor zichzelf hield of voor de Gemeente. In dit verband is niet slechts van belang de naar buiten toe blijkende feitelijke macht over de zaak, maar tevens de naar buiten toe blijkende wil om voor zichzelf te houden. Op de voet van artikel 3:113 lid 2 BW is verder van belang dat in het geval dat een goed in het bezit van een ander is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende zijn voor inbezitneming, maar dat de machtsuitoefening zodanig moet zijn dat naar verkeersopvatting de ander zijn bezit verliest.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/698e567648b0f7d6f9ce286441bf660e75c2d54a810488fb37a097ddbe9b3743. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 698e567648b0f7d6f9ce286441bf660e75c2d54a810488fb37a097ddbe9b3743, en de alinea staat in dat document op bytes 16066 tot 17176.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/698e567648b0f7d6f9ce286441bf660e75c2d54a810488fb37a097ddbe9b3743 | shasum -a 256