Citaat | Rechtbank Amsterdam 29 april 2009

Alinea 53 Rechtbank Amsterdam 29 april 2009

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 29 april 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BI3446.

4.6. Anders dan de Ontvanger stelt, vormt de restantexecutieopbrengt geen afgescheiden vermogen. Artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vereist voor een afgescheiden vermogen een wettelijke basis dan wel een overeenkomst. Daarvan is hier geen sprake. De stelling van de Ontvanger dat de executieopbrengst na levering van de onroerende zaak het vermogen van [persoon 1] heeft verlaten, maar dat deze opbrengst nog geen deel is gaan uitmaken van het vermogen van de Ontvanger of van één van de overige beslagleggers, impliceert dat gedurende de verdeling sprake is van een ‘zwevend vermogen’. Dit is in strijd met het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten zodat deze stelling van de Ontvanger reeds om die reden niet kan worden gevolgd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d06daa4ef6e938343ab0a0419fbc83419ee3f272f20ffb37f677a9ffa196c6df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d06daa4ef6e938343ab0a0419fbc83419ee3f272f20ffb37f677a9ffa196c6df, en de alinea staat in dat document op bytes 18134 tot 18906.