Citaat | Rechtbank Amsterdam 22 oktober 2010
Alinea 70 Rechtbank Amsterdam 22 oktober 2010
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 22 oktober 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1533.
4.16. Eisers hebben vervolgens gesteld dat het onvoldoende is dat de inbreukmakende bevoegdheid in kwestie berust op een wettelijke bepaling en is verleend voor een in het tweede lid van artikel 8 EVRM omschreven doel. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) stellen zij zich op het standpunt dat de wet in kwestie, kort gezegd, ook aan bepaalde minimum kwaliteitseisen heeft te voldoen, in die zin dat de wettelijke bepaling kenbaar en voorzienbaar moet zijn. In de woorden van de A-G bij het arrest van de Hoge Raad van 09-10-2009 (NJ 2010, 213), dient de wet te voldoen aan eisen die worden gesteld ten aanzien van toegankelijkheid, precisie en consistentie. Bovendien mag de wet die de bevoegdheid tot het nemen van inbreukmakende maatregelen verleent er niet toe leiden dat aan de uitvoerende instanties ongebreidelde macht (unfettered power) wordt toegekend.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1c3eaabc93494163cd7afc416b115ff9f02db50e7ac8dc329e1d943a37bd153c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1c3eaabc93494163cd7afc416b115ff9f02db50e7ac8dc329e1d943a37bd153c, en de alinea staat in dat document op bytes 27818 tot 28749.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1c3eaabc93494163cd7afc416b115ff9f02db50e7ac8dc329e1d943a37bd153c | shasum -a 256