Citaat | Rechtbank Amsterdam 23 december 2010
Alinea 50 Rechtbank Amsterdam 23 december 2010
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 23 december 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BO8910.
4.7. Het voorgaande betekent echter niet, zoals Forward heeft aangevoerd, dat een gerechtsdeurwaarder iedere opdracht met betrekking tot nakosten zal hebben uit te voeren. Gerechtsdeurwaarders zullen in de onafhankelijke uitoefening van hun ambt ervoor hebben te waken dat beslag wordt gelegd voor nakosten die niet in redelijkheid zijn gemaakt of die hoger zijn dan gebruikelijk, zonder dat de executant aannemelijk maakt dat bijzondere omstandigheden deze hogere kosten noodzakelijk hebben gemaakt. Dat de deurwaarder daardoor gehouden is te beoordelen of de gevorderde nakosten de grenzen van het redelijke niet overschrijden, ligt in het systeem zoals de Hoge Raad dat heeft uiteengezet, besloten. Opgemerkt wordt dat, wanneer een executant meent dat het oordeel van de deurwaarder op gespannen voet staat met zijn ministerieplicht, niets de executant ervan weerhoudt om de nakosten op grond van art. 237 lid 4 Rv door de rechter te laten begroten. In het thans ter beoordeling voorliggende geval vormt de hoogte van de nakosten geen onderwerp van geschil en een oordeel over de redelijkheid van in andere gevallen gevorderde nakosten kan in zijn algemeenheid niet worden gegeven. Nu de deurwaarder mede als principiële vraag aan de orde heeft gesteld hoe in toekomstige gevallen te handelen en de voorzieningenrechter gelet op mogelijke aansprakelijkheid van de deurwaarder hetzij naar civiel recht, hetzij naar tuchtrecht, diens belang daarbij onderschrijft, overweegt de voorzieningenrechter dat het, gelet op de hanteerbaarheid van het recht, wat de tarieven betreft voor de hand ligt om voor alle uitspraken aan te sluiten bij hetgeen in het overleg tussen de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, het Landelijk Overleg Voorzitters van de Civiele sectoren (LOVC) en het Landelijk Overleg Voorzitters van de Civiele sectoren van de hoven (LOVC-hoven) bij de vaststelling van het liquidatietarief als redelijk is aangemerkt. Voor kantonzaken kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen het hof Amsterdam in zijn arrest van 17 juli 2007 (NJF 2007/388) heeft beslist, kort gezegd erop neerkomend dat ook in kantonzaken een vergoeding voor nakosten verschuldigd kan zijn, wanneer deze in redelijkheid zijn gemaakt en waarbij, wanneer het gaat om de incassopraktijk met geautomatiseerde of gestandaardiseerde werkzaamheden, 50 % van het voor rechtbanken geldende liquidatietarief redelijk wordt geoordeeld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c496cf7dd7f718e1a2244c54939b8d672634fdc59014dc62f243b0c6be2d8459. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c496cf7dd7f718e1a2244c54939b8d672634fdc59014dc62f243b0c6be2d8459, en de alinea staat in dat document op bytes 19041 tot 21514.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c496cf7dd7f718e1a2244c54939b8d672634fdc59014dc62f243b0c6be2d8459 | shasum -a 256