Citaat | Rechtbank Amsterdam 5 januari 2011
Alinea 194 Rechtbank Amsterdam 5 januari 2011
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 5 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BO9943.
4.27. StENK c.s. voert aan dat het Hoogheemraadschap bij het vaststellen van zijn beleid een zorgvuldige afweging dient te maken tussen zijn financiële belang en het financiële belang van de erfpachters. Het Hoogheemraadschap heeft geen afweging gemaakt van deze belangen. Het is zelfs zo, dat het Hoogheemraadschap geen beeld heeft van de belangen van de erfpachters. Het heeft deze belangen in het geheel niet onderzocht. Het Hoogheemraadschap is ervan uitgegaan dat de erfpachters een te lage vergoeding voor hun recht betalen en dat het Hoogheemraadschap dus een gerechtvaardigd belang heeft de vergoeding te verhogen. Verder heeft het Hoogheemraadschap aansluiting gezocht bij het actieve grondbeleid van andere overheden en dan met name de gemeente Amsterdam. De evenredigheid tussen deze erfpachters en de gemeente Amsterdam ligt echter geheel anders dan die tussen het Hoogheemraadschap en de erfpachter op de dijk. Het Hoogheemraadschap voert geen actief grondbeleid waarbij het investeert in de leefbaarheid van de omgeving rond de woningen op de grond die het in erfpacht uitgeeft. Het Hoogheemraadschap kan dan ook niet dezelfde vergoeding daarvoor verlangen. De erfpachters bij het Hoogheemraadschap hebben deze leefbaarheid immers zelf betaald of hebben deze gekregen als gevolg van hun belastingbijdrage aan de voor die voorzieningen verantwoordelijke gemeenten. Daarbij komt dat in de gemeente Amsterdam ten onrechte wordt aangenomen dat de grondwaarde aan de berekening van de canon ten grondslag mag worden gelegd. In de gemeente Amsterdam is bij de oprichting van het grondbedrijf in 1923 expliciet besloten dat het doel van de grondexploitatie niet mocht zijn winst te behalen. De grondslag voor de canon diende te zijn de kostprijs van de grond en de rente diende gelijk te zijn aan de door de gemeente zelf te betalen rente. Op grond van het tot 1994 geldende erfpachtbeleid behoorde de waardestijging van de grond toe aan de erfpachters. Indien op juiste wijze toepassing was gegeven aan het evenredigheidsbeginsel, had het Hoogheemraadschap dienen vast te stellen dat er als gevolg van de toepassing van de nieuwe regels een verschuiving van vermogen plaatsvindt van de erfpachter naar het Hoogheemraadschap. Het Hoogheemraadschap had allereerst dienen te overwegen waarom zo'n vermogenverschuiving toch te rechtvaardigen is en het had vervolgens op zijn minst dienen te onderzoeken of een schadeloosstelling van de benadeelde partij aan de orde is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77e08b3f1e6fc4d434d41fbcca1a015c437034b948a86af474ad1ca423ab3642. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77e08b3f1e6fc4d434d41fbcca1a015c437034b948a86af474ad1ca423ab3642, en de alinea staat in dat document op bytes 60091 tot 62580.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/77e08b3f1e6fc4d434d41fbcca1a015c437034b948a86af474ad1ca423ab3642 | shasum -a 256