Citaat | Rechtbank Amsterdam 31 mei 2011
Alinea 88 Rechtbank Amsterdam 31 mei 2011
Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 31 mei 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9049.
Op 22 juli 2010 is verdachte bij de politierechter als getuige onder ede gehoord in de zaak tegen [medeverdachte 4]. Bij die gelegenheid heeft hij verklaard dat de man die vanaf 13.20 uur bij hem was niet [medeverdachte 4] was, maar [persoon 2] en dat die [persoon 2] het petje van [medeverdachte 4] droeg. Nu voldoende vaststaat, zoals in zaak B is overwogen, dat verdachte zich met [medeverdachte 4] heeft schuldig gemaakt aan de in die zaak tenlastegelegde inbraken, staat daarmee tevens vast dat verdachte onder ede een valse verklaring heeft afgelegd. Het tenlastegelegde kan derhalve worden bewezen. Dat het proces-verbaal van de zitting niet door politierechter is ondertekend en er geen proces-verbaal van meineed is opgemaakt waarin verdachte zijn verklaring heeft ondertekend, doet hieraan niet af. Verdachte heeft immers ter terechtzitting bevestigd dat hij zijn getuigenverklaring op 22 juli 2010 zo heeft afgelegd. Een proces-verbaal van meineed en een door de politierechter ondertekend proces-verbaal van de terechtzitting zijn geen constitutieve vereisten voor het begaan van meineed.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/867db31f430a355f211d41ab4bb6152e9e54e14ad5b50552e302ca867cd06ca2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 867db31f430a355f211d41ab4bb6152e9e54e14ad5b50552e302ca867cd06ca2, en de alinea staat in dat document op bytes 40718 tot 41832.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/867db31f430a355f211d41ab4bb6152e9e54e14ad5b50552e302ca867cd06ca2 | shasum -a 256