Citaat | Rechtbank Amsterdam 15 februari 2012

Alinea 47 Rechtbank Amsterdam 15 februari 2012

Een alinea uit Rechtbank Amsterdam 15 februari 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BV6356.

4.3. [gedaagde] beroept zich erop dat de overeengekomen huisbewaring moet worden gekwalificeerd als onderhuur. Daarbij moet worden vooropgesteld dat de aanduiding van partijen voor hun rechtsverhouding niet beslissend is voor de vraag hoe die rechtsverhouding moet worden gekwalificeerd. Onderzocht moet dus worden of sprake is van de situatie waarin de huurders aan [gedaagde] het genot hebben verschaft van een zelfstandige woning gedurende bepaalde tijd tegen een bepaalde prijs. Dit is op zichzelf wel het geval, maar leidt niet zonder meer tot de normaal daaraan verbonden rechtsgevolgen van artikel 7:269 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). De huisbewaringsovereenkomst moet immers worden gezien als driepartijenovereenkomst tussen verhuurder, huurder en huisbewaarder.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea83e06e76f09c2b5fcdeacef00989c2d5cb8804c53c2c7e81395fc1a07973cb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea83e06e76f09c2b5fcdeacef00989c2d5cb8804c53c2c7e81395fc1a07973cb, en de alinea staat in dat document op bytes 19232 tot 20015.